Hartritmestoornissen

Onderwerp uit hoofdstuk 4.3 Hart & bloedvaten

Het hart moet altijd pompen. Met goed of slecht weer. Wanneer dit proces onderbroken raakt, zal het hart niet meer in staat zijn om het bloed rond het lichaam te pompen, waardoor er vitale organen zonder zuurstof kunnen komen te zitten.

Het gemakkelijkst is het om het hart te zien als twee pompen. Deze twee pompen bestaan allebei uit lege ruimtes, welke omringd zijn door spieren. Deze spieren zullen samentrekken waardoor het bloed wordt gepompt.

Elektrische pulsen zullen uw hartslag sturen. De rechter boezem, een van de vier ruimtes van het hart, bevat de sinusknoop. De sinusknoop is de gangmaker van de elektrische signalen. De hartspieren krijgen hierdoor steeds het seintje om te verslappen en het hart weer aan te spannen.

De inspanning bepaalt met name hoe hoog de harstal is. Wanneer het lichaam in rust is zal het hart met een regelmatige snelheid 70 keer per minuut pompen. Wanneer u een hevige inspanning levert, zoals hardlopen, zal de sinusknoop het tempo opvoeren. Dit komt omdat het weefsel allemaal veel meer zuurstof nodig hebben. Het ritme van de hartslag kan wel oplopen tot 200 slagen per minuut.

Wanneer de sinusknoop niet meer naar behoren werkt, kan het verkeerde signalen doorseinen. Hierdoor kan er een hartstoornis optreden. Een te snelle hartslag wordt aangeduid met tachycardie; een te langzame hartslag heet bradycardie.

Tabak, cafeïnehoudende dranken, alcohol en een aantal andere stoffen kunnen de hartslag beïnvloeden. Ook geneesmiddelen kunnen beïnvloedend werken. Hierdoor kunnen er hartafwijking ontstaan. Deze worden ook wel eens hartkloppingen genoemd.

Laat een reactie achter