De lichaamssamenstelling

Onderwerp uit hoofdstuk 5.1 Voeding

Er is meer nodig om te begrijpen waar goede voeding op gebaseerd is dan alleen maar een basiskennis van allerlei voedingsmiddelen. De volgende stap is het krijgen van een globaal idee van de bestanddelen waaruit ons lichaam is opgebouwd. Naast water zijn eiwit, vet en koolhydraten de belangrijkste ’ingrediënten’ van het menselijk lichaam.

Water vormt een grote component binnen eiwitstructuren en koolhydraatvoorraden in ons lichaam, maar is slechts een kleine component van ons vetweefsel. Het lichaam van een persoon met een fors overgewicht bevat ongeveer 40 procent water terwijl het lichaam van een zeer slank persoon ongeveer uit 70 procent water bestaat. Zo kunnen metingen van het totale lichaamswater dienen om een schatting te kunnen maken van het lichaamsvetpercentage.

Eiwitstructuren maken een belangrijk deel (ongeveer 50 à 60 procent) van het lichaamsgewicht uit; deze structuren (de spieren en vitale organen zoals de lever) zijn als het ware de machinerie van het lichaam.

Extra eiwit wordt door het lichaam niet opgeslagen. Als we meer eiwitten eten dan ons lichaam nodig heeft, neemt onze spiermassa niet toe en ook wordt er geen eiwitvoorraad aangelegd, integendeel, het teveel aan eiwit wordt als vet opgeslagen. Bij uithongering worden op een gegeven moment lichaamseiwitten afgebroken om de vrijkomende aminozuren te gebruiken als brandstof. Bij verhongering treedt de dood in als een kwart tot een derde van de lichaamseiwitten is verbruikt.

Koolhydraten worden als glycogeen opgeslagen in de lever en in de spieren. Ongeveer 1 tot 5 procent van het lichaamsgewicht is glycogeen.

Bij een voedingspatroon met voldoende calorieën per dag en dat rijk aan koolhydraten is, is de glycogeenvoorraad, die zich voornamelijk in de lever bevindt, maximaal. Dit is een brandstofvoorraad die snel aangesproken kan worden; marathonlopers die voor een wedstrijd een koolhydraatrijke maaltijd eten, maken van dit principe gebruik. Na omzetting in glucose wordt glycogeen gebruikt als brandstof voor de hersenen tijdens korte perioden zonder voedselinname, onder andere ’s nachts tijdens de slaap.

Omgekeerd is het zo dat als iemand weinig koolhydraten eet of op een energie-beperkt dieet is, de glycogeenvoorraad snel uitgeput zal zijn. Wie van een gewoon eetpatroon overgaat op een laag-calorisch of koolhydraatarm dieet kan binnen twee dagen 1 tot ruim 1,5 kilo afvallen.Maar dit is ten gevolge van glycogeenafbraak gepaard gaande met vochtverlies en géén vetverlies.

Het volgende ’lichaamsingrediënt’ is vet. Een verschil tussen vet enerzijds en koolhydraten en eiwitten anderzijds is dat vet een uitermate geconcentreerde vorm van energiereserve is die weinig water bevat. Het lichaamsvet vertegenwoordigt ongeveer twee keer zoveel energie in verhouding tot zijn gewicht als eiwitten of koolhydraten, namelijk ongeveer 9000 kilocalorieën per kilogram. Vet maakt 15 tot 20 procent uit van een normaal lichaamsgewicht, maar bij extreem dikke mensen kan dit oplopen tot wel 50 procent.

Deze verschillen in vetvoorraad zijn een gevolg van de manier waarop ons lichaam functioneert. Als iemand meer eet dan zijn lichaam kan verbranden, of dit nu eiwitten, vetten of koolhydraten zijn, wordt het teveel opgeslagen als vetweefsel. Maar het vet in ons eten levert meer calorieën dan de eiwitten en de koolhydraten. In het tegenovergestelde geval, dus als wij minder eten dan ons lichaam nodig heeft, worden onze brandstofreserves aangesproken om het dagelijkse energietekort aan te vullen en neemt zo de hoeveelheid vetweefsel af, zij het langzaam, vanwege de hoge calorische waarde van vetweefsel.

De primaire functie van het lichaamsvet lijkt brandstofreserve te zijn, maar daarnaast heeft het ook een functie als mechanische bescherming en isolatie. Wie heeft er nooit opgemerkt dat dikke mensen langer en prettiger op een houten bank of een harde stoel kunnen zitten dan magere mensen, en dat zij het minder vlug koud hebben in een koele omgeving?

Lichaamsvet heeft bij vrouwen ook nog een rol bij de regulering van bepaalde hormonen. Het komt nogal eens voor dat vrouwen die erg mager zijn geen menstruaties hebben. Wij zien dit bijvoorbeeld vaak bij patiënten met anorexia en bij andere vormen van uithongering. Ook bij magere atletes kan het een probleem zijn.

Het individueel vaststellen van de hoeveelheid vetweefsel is niet eenvoudig. Huidplooimeting is een methode, maar daar is een speciaal meetinstrument voor nodig alsmede aanzienlijke vaardigheid en ervaring. Zelfs dan, moeten de resultaten als een benadering van de werkelijkheid beschouwd worden. Andere methoden, zoals metingen van totaal lichaamswater en lichaamsdichtheid, die in onderzoekscentra worden toegepast, hebben een grotere betrouwbaarheid. Deze methoden zijn echter tijdrovend, zowel voor de onderzoeker als de patient, en vaak zeer kostbaar.

Een globale schatting van wat iemands ideale gewicht is, is minder moeilijk. Bedenk echter dat het gewicht dat volgens de tabellen past bij iemands lengte en geslacht geen rekening houdt met individuele eigenschappen en factoren als botstructuur (zware botten of juist niet) en spiermassa (is iemand zeer gespierd?). Het zijn nuttige gemiddelden, maar er is meer nodig om iemands plaats op de schaal van (te) licht naar (te) zwaar exact te bepalen.

Een laatste opmerking over het onderwerp vet. Onder wetenschappers is nogal wat discussie over de vraag of het hebben van een heel kleine hoeveelheid lichaamsvet beschermt tegen sommige degeneratieve ziekten waaronder kransslagaderaandoeningen.

Ook is het zo dat als iemand maar een minimale hoeveelheid lichaamsvet heeft en dus maar een heel kleine energiereserve, dit zijn overlevingskans kan verkleinen na ernstige verwonding, zware infectie of een ziekte met een langdurige herstelperiode. Te dik zijn kan onder geen enkele omstandigheid gezond worden genoemd, maar te mager zijn kan net zo goed risico’s hebben voor de gezondheid. 

Laat een reactie achter