Antidepressiva

Onderwerp uit hoofdstuk 4.6 Psyche

Bij een lichte depressie hoeft u vaak geen geneesmiddelen te gebruiken. Goede begeleiding kan u al een heel eind op weg helpen. Bij een ernstige depressie is behandeling met medicijnen aan te bevelen. Daarnaast zijn gesprekken met uw huisarts of specialist erg belangrijk. Vaak zal een behandeling met medicijnen niet op zichzelf staan. Immers is dat symptoom bestrijding en zal de echte onderliggende oorzaak door medicijngebruik niet aangepakt worden.

De meeste mensen met een ernstige depressie hebben baat bij een geneesmiddel. Dat geldt vooral als bepaalde kenmerken aanwezig zijn, zoals dagschommelingen (een groot verschil tussen uw stemming ’s ochtends en ’s avonds) of slaapstoornissen (extreem vroeg wakker). Wanneer het eerste geneesmiddel dat de huisarts voorschrijft niet werkt of als u te veel bijwerkingen ondervindt, zal hij een middel met een iets andere werking proberen. Omdat antidepressiva pas na vier tot zes weken een optimaal effect hebben, moet u een geneesmiddel ten minste zes weken gebruiken voordat u kunt zeggen dat het middel niet werkt. Heeft u te veel last van bijwerkingen, dan kan de arts u al eerder een ander medicijn voorschrijven. Daarbij houdt hij wel rekening met het feit dat sommige bijwerkingen vooral in het begin van de behandeling optreden, zoals misselijkheid en zweten.

Als het middel werkt en u zich beter gaat voelen, moet u het middel toch nog enige tijd blijven gebruiken om een mogelijke terugval in de depressie te voorkomen. Een periode van vier tot negen maanden is gewoon. Na die periode is het verstandig dat de dosering langzaam wordt afgebouwd.

Wat betreft de effectiviteit is er gemiddeld genomen weinig of geen verschil tussen de verschillende antidepressiva. Wanneer een bepaald geneesmiddel in het verleden goed is bevallen, verdient het aanbeveling dit middel bij een volgende depressieve periode weer te gebruiken. Het is dan vrijwel zeker dat het werkt.

De keuze van een antidepressivum zal de arts laten afhangen van de ernst van de depressie, van eventuele andere aandoeningen die u heeft, van de mogelijke bijwerkingen en van de prijs. Op basis daarvan kiest hij voor een middel uit de groep van de zogenoemde tricyclische antidepressiva (TCA’s) of een middel uit de groep van de zogenoemde serotonineheropnameremmers (SSRI’s). Bij ouderen, maar ook bij mensen die recent een hartinfarct hebben doorgemaakt, en bij mensen met hartritmestoornissen, prostaatklachten en glaucoom gaat de voorkeur uit naar de SSRI’s. Zij veroorzaken minder bijwerkingen zoals een droge mond en wazig zien.

Uit de grote groep van TCA’s zal de huisarts of de specialist vaak kiezen voor amitriptyline (Amitriptyline, Sarotex, Tryptizol), imipramine (Imipramine, Tofranil) of nortriptyline (Nortrilen), omdat er erg veel ervaring mee is opgedaan en ze bovendien relatief goedkoop zijn, uitgezonderd Nortrilen. Van de SSRI’s is vooral met fluvoxamine (Fluvoxamine, Fevarin), fluoxetine (Prozac) en paroxetine (Seroxat) veel ervaring opgedaan. De SSRI’s zijn flink duurder dan de TCA’s.

Enkele af en toe voorkomende bijwerkingen van TCA’s zijn onder andere: droge mond, duizeligheid, verstopping, wazig zien, moeilijkheden met plassen, sufheid, slaperigheid. Bij SSRI’s staan misselijkheid, diarree en verstopping op de voorgrond, naast hoofdpijn, slapeloosheid en trillen.

Laat een reactie achter