Afsluiting van de slokdarm

Wanneer er bij baby’s sprake is van een afsluiting van de slokdarm (oesophagusatresie), wil dit zeggen dat de slokdarm niet doorloopt, maar onderbroken is.

In Nederland worden ongeveer 45 tot 50 kinderen per jaar met deze aandoening geboren. Waarvan eenderde van de baby’s te vroeg geboren is. Meestal gaat de afwijking gepaard met andere afwijkingen, bijvoorbeeld aan de luchtpijp (die van de keelholte naar de longen loopt). Ongeveer dertig procent van alle kinderen met een slokdarmafsluiting heeft tevens andere levensbedreigende aandoeningen, zoals afwijkingen aan het centraal zenuwstelsel, de urinewegen of hart en nieren.

Hoe komt een slokdarmafsluiting tot stand?

Gedurende de ontwikkeling van het kind in de baarmoeder ontstaat allereerst één buisvormige verbinding van de mond/keelholte met de maag. In de vijfde à zesde week van de zwangerschap splitst deze structuur zich in twee buizen. De voorste buis wordt de toekomstige luchtpijp en de achterste de slokdarm. Gedurende deze afsplitsing kan er iets mis gaan: de slokdarm wordt onderbroken, maar houdt in de meeste gevallen nog wel verbinding met de luchtpijp.

De verschijnselen waaraan u een afsluiting van de slokdarm kan herkennen:

Doordat het nog ongeboren kind in de baarmoeder het vruchtwater niet kan doorslikken, heeft de moeder vaak te veel vruchtwater bij zich. Hieruit kan men dan opmaken dat er bij het sprake is van een slokdarmafsluiting.
Na de geboorte zullen er nogal wat problemen met drinken optreden, vanwege het feit dat de slokdarm afgesloten is. Er zullen geen problemen met drinken en slikken zijn, maar bij het doorslikken zal het bovenste afgesloten gedeelte van de slokdarm vol raken, en zo loopt de voeding over en kan het in de luchtwegen terechtkomen. Dat kan dan leiden tot hevige hoestaanvallen, benauwdheid, blauw aanlopen en het bijna stikken als zijn moeder hem probeert te voeden. Het speeksel dat het kind aanmaakt en doorslikt, verzamelt zich samen met de ingeslikte lucht in het bovenste afgesloten gedeelte van de slokdarm. Het speeksel, zal zich vermengen met luchtbelletjes en zal dan door neus en mond naar buiten komen, wat er als bellen blazen uitziet.

Afsluiting van de slokdarm

Of de slokdarm een doorgang heeft, kan heel goed en snel getest worden met een slangetje dat vanuit de neus of de mond naar de maag wordt geleid. In het geval van een afsluiting zal dit slangetje onderweg blijven steken. Door een slangetje te gebruiken dat op de röntgenfoto’s zichtbaar is, kan de afwijking op de foto worden vastgelegd.
Na het vaststellen van de diagnose is de eerste zorg het bovenste deel van de slokdarm leeg te houden. Er mag daarom geen voeding meer worden gegeven. De vochtbehoefte wordt via een infuus geregeld. Om overlopen van speeksel te voorkomen, wordt met een speciaal slangetje het speeksel doorlopend weggezogen. Dit slangetje werkt vaak het beste als het kind in buikligging ligt. Door het hoofd iets hoger te leggen dan de benen, wordt voorkomen dat zure maaginhoud via de fistel in de longen terecht kan komen.

Om de slokdarmafsluiting te behandelen is er altijd een operatie nodig om de verbinding tussen het onderste deel van de slokdarm en luchtpijp, de fistel, op te heffen en de delen van de slokdarm weer aan elkaar te hechten. Hiervoor moet de borstkas geopend worden.
Dit gebeurt aan de rechterzijde, omdat aan die kant de grote lichaamsslagader (aorta) niet in de weg zit.
Na het afbinden van de fistel worden allebei de uiteinden van de slokdarm aan elkaar gehecht. Soms is het nodig het om bovenste gedeelte langer te maken door de spierlaag op één of meerdere plaatsen rondom in te snijden, terwijl het slijmvlies intact blijft. Vanuit de neus wordt er dan door de nieuwe verbinding een slangetje tot in de maag geleid. Enkele dagen kan dit slangetje dan gebruikt worden om er de voeding door te geven. In de borstholte, bij de naad in de slokdarm, wordt er soms een slang achtergelaten een zogenoemde (thoraxdrain) om eventueel lucht en vocht uit de wond af te kunnen voeren.

Omdat om een grote operatie gaat, is het meestal te vermoeiend voor uw kind om vlak na de operatie zelf te ademen. Uw kind wordt dan nabeademd, dat houdt in dat het buisje in de luchtpijp, wat gebruikt is bij de narcose, aanwezig blijft en de beademingsmachine aangesloten blijft. Normaal gesproken duurt deze nabeademing maar enkele dagen.
Om te kijken of de slokdarm goed genezen is, wordt dit gecontroleerd na ongeveer zeven tot tien dagen met behulp van een slikfoto. Als daaruit blijkt dat het resultaat goed is wordt de thoraxdrain weggehaald en kan uw kind proberen om zelf te drinken. Vanwege het feit dat dit vooral in het begin erg vermoeiend is, mag uw kind niet langer dan 10 minuten drinken; de rest wordt toegediend door middel van een sonde. Soms kan het enkel weken duren voordat uw kind alles zelf kan drinken. Als uw kind zover is, dan pas dan zal de maagslang weggehaald worden.
Met behulp van een contrastfoto kan er gezien worden of er bij de nieuwe aangelegde naad eventueel nog een lekkage zit. Als dat zo is dan krijgt het kind de voeding via een infuus toegediend. Bijna altijd sluit zo’n lekkage zich weer vanzelf. Wel zal de periode langer duren van de ziekenhuisopname. Als uw kind uiteindelijk genoeg groeit en zelf drinkt, mag het weer naar huis toe.

Kinderen die een slokdarmafsluiting hebben ondergaan, kunnen later wel met diverse problemen te maken krijgen, zoals; luchtwegproblemen, voedingsproblemen, het terugkomen van de voeding (reflux) en vernauwing.

Speak Your Mind

*